De grootste homohaters hebben meestal het meeste boter op hun hoofd

Het begrip vrijheid wordt door velen vandaag de dag opgevat als negatieve vrijheid: de afwezigheid van regels. Ofwel: ‘ikke-ikke-ikke-en-de-rest-kan-stikke’. Dat is echter de vrijheid van de sterkere en dus de onvrijheid van de zwakkere. Dat is in het nadeel van minderheden zoals de homo/lesbische minderheid. Die heeft meer belang bij positieve vrijheid: niet de áfwezigheid van regels maar de áánwezigheid van zodanige regels dat iedereen het recht heeft om zelf zin en vorm te geven aan het eigen bestaan zolang het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet wordt aangetast.
Het begrip gelijkheid wordt door velen vaak opgevat als gelijkvormigheid en ook dat is voor homo’s, lesbo’s, biseksuelen en transgenders fnuikend want dat betekent dat zij zich voortdurend aan de heteroseksuele meerderheid zouden moeten aanpassen en dat is in strijd met het eerder omschreven zelfbeschikkingsbeginsel. Gelijkheid moet dus worden opgevat als gelijkwaardigheid, ofwel een gelijke toegang tot de mensenrechten. En dat kan heel goed samengaan met ongelijkvormigheid ofwel diversiteit zolang het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet in gevaar komt.
Het begrip solidariteit heeft voor mensen met een ‘dikke ik’ (egoïsten) een negatieve klank gekregen. En ook dat is slecht voor biseksuelen, transgenders, lesbo’s en homo’s die wereldwijd hun zelfbeschikkingsrecht wel kunnen vergeten als zij niet op anderen kunnen rekenen in hun strijd voor gelijke mensenrechten. De geschiedenis van de Nederlandse homo/lesbische emancipatiebeweging heeft laten zien hoe belangrijk zelforganisatie, bondgenoten en sleutelfiguren zijn geweest. Ook dit is weer zo’n paradox, zo’n schijnbare tegenstelling, waar ik dol op ben: juist omdat je vrij wilt zijn, heb je anderen nodig om die vrijheid telkens weer te bevechten en veilig te stellen. Solidariteit moet dus volgens mij geen dwang of zelfopoffering zijn maar juist een welbegrepen eigenbelang: iedereen heeft er belang bij dat wij gezamenlijk opkomen voor het zelfbeschikkingsrecht van iedereen.
Wat hebben vrijheid, gelijkheid en solidariteit nu met homoseksualiteit en psychosociale gezondheid te maken? Hier komt Friesland als voorbeeld van pas. Een partij die bij de laatste verkiezingen veel nieuwe stemmers heeft getrokken, is blijkens haar verkiezingsprogramma een voorstander van ‘etnische registratie’. Etnische en seksuele identiteiten zijn aan de ene kant levensgevaarlijk en aan de andere kant noodzakelijk. Levensgevaarlijk als zij worden opgevat als determinanten: alsof het vaststaande dingen zouden zijn die onontkoombaar zouden bepalen wie of wat je bent, louter omdat je ergens geboren bent, een bepaalde afstamming hebt of een bepaalde aanleg. Dat is ook het bedenkelijke van het begrip ‘allochtoon’: eldersgeboren of afkomstig van eldersgeborenen. Wat zegt dat begrip? Bijvoorbeeld: dat wij een allochtoon koningshuis hebben. Maar opvallend genoeg: daarvoor wordt dit begrip niet gebruikt. Het wordt wel gebruikt om over mensen te spreken die soms al meerdere generaties hier wonen maar die er kennelijk niet helemaal bij zouden horen.
Riek Stienstra was als Friezin een allochtoon in Holland en ik ben geboren in het Gooi, dus in Holland, en woon nu alweer zeven jaar in Friesland en zou daar dus een allochtoon moeten zijn, maar zo voelt dat niet. Hoe ben ik in Friesland terecht gekomen? Toen ik ruim 38 jaar geleden mijn huidige levenspartner Herman Beks leerde kennen, was hij bereid om in de Randstad te komen wonen en werken op de voorwaarde dat ik na onze pensionering met hem naar zijn heitelân Friesland zou komen. Ik was daartoe bereid en zo geschiedde. En daar wachtte een positieve verrassing. Want Friesland heeft een sterke positieve identiteit die nieuwkomers niet uitsluit maar juist insluit. Die niet deterministisch is maar inclusief en divers. Niet bepalend is waar je geboren bent, wat je afkomst is of jouw aanleg, maar waar je zelf voor kiest. Iedereen die dat wil, kan Fries worden en er bij horen.
In de geschiedenis van de homo/lesbische beweging zijn er momenten geweest waarop het belangrijk werd gevonden om aan te tonen dat homoseksualiteit een biologisch grondslag heeft. Als maar aangetoond kan worden dat het aangeboren is dan zou homoseksualiteit makkelijker aanvaard worden. Laat ik voorop stellen dat ik wetenschappelijk gezien inderdaad denk dat biologische aanleg een belangrijke rol speelt. Maar uit het oogpunt van mensenrechten is dat onbelangrijk: iedereen heeft het recht om voor een homo/lesbische of biseksuele leefstijl te kiezen ongeacht waar hij of zij geboren is of welke afstamming, godsdienst of aanleg hij of zij heeft. Toch is dit geen gemeengoed. Vorig jaar ontmoette ik een Vlaamse homojournalist die het onaanvaardbaar vond dat ook heteromannen een homohuwelijk zouden kunnen sluiten. Onbedoeld gevolg van zijn redenering zou zijn geweest dat de staat de plicht of het recht zou hebben om de seksuele identiteit van iedereen vast te stellen voordat iemand een homo- of heterohuwelijk zou mogen sluiten. En dat geeft ook meteen de onzinnigheid van de begrippen homo- en heterohuwelijk aan. Wij kennen niet meer en niet minder dan hét huwelijk en de staat heeft zich in het kader van de menselijke zelfbeschikking niet te bemoeien met iemands seksuele aanleg zolang het zelfbeschikkingsrecht van derden niet wordt aangetast.
Wie de overheid het recht geeft om zich bezig te houden met seksuele of etnische identiteiten (of zelfs de registratie daarvan), die maakt meer problemen dan dat er worden opgelost. Denk alleen maar aan het feit dat heel veel Nederlanders voor een deel een Friese of een Joodse achtergrond hebben. Kortom: juist de homo/lesbische beweging dient te beseffen hoezeer het vastleggen van identiteiten, dit hokjesdenken, het recht op menselijke zelfbeschikking kan bedreigen.
Tegelijkertijd kunnen we niet zonder identiteiten. Uit het van het Sociaal- en Cultureel Planbureau blijkt dat negen procent van de Nederlanders homovijandig is en dat dit vooral onder orthodoxe protestanten en islamieten voorkomt. Maar dat is geen nieuws. Dat het voortgezet onderwijs geen veilige omgeving is voor homo/lesbische leerlingen en docenten, dat wist ik al uit eigen ervaring maar het kan geen kwaad om dat nog eens bevestigd te zien, want de meeste scholen voor voortgezet onderwijs weigeren nog steeds om daar iets aan te doen. Hoe belangrijk dat is, dat blijkt uit ditzelfde SCP-rapport, want één op de zeven lesbische meisjes en een op de acht homojongens blijkt last te hebben van depressieve klachten, de helft van de homo/lesbische jongeren denkt wel eens aan zelfdoding en zestien procent van de lesbische meisjes en negen procent van de homojongens heeft wel eens een poging tot zelfdoding ondernomen. Dat sluit aan bij vergelijkbaar onderzoek in de Verenigde Staten en wijst op een psychosociaal ongezond en onveilig klimaat voor met name homo/lesbische jongeren.
Nu zullen er ongetwijfeld wel weer lieden zijn die gaan zeggen dat homoseksualiteit de oorzaak is van deze problemen. En dan is het voorbeeld van onze ervaringen met de linkshandigheid van belang. In de afgelopen eeuwen is in het onderwijs stelselmatig getracht om linkshandigheid tegen te gaan omdat het slecht voor leerlingen zou zijn en allerlei onderzoekingen leken dat te bevestigen. Maar toen het onderwijs eindelijk besloot om leerlingen vrij te laten om links- of rechtshandig te schrijven, bleek dat niet de linkshandigheid het probleem was maar de afgedwongen rechtshandigheid. En zo is ook homoseksualiteit niet het probleem dat tot depressieve klachten en zelfmoord kan leiden maar de afgedwongen heteroseksualiteit.
Afgedwongen heteroseksualiteit? Menig hetero in Nederland zal niet begrijpen waar ik het over heb. Maar dat is precies het probleem. Als voorzitter van het landelijk platform openbaar onderwijs krijg ik regelmatig te maken met schoolleiders die zeggen dat er op hun school geen homo/lesbische leerlingen en docenten voorkomen. Soms zelfs door te zeggen: “Bij ons doet dat probleem zich niet voor”, en dat weet u wel hoe laat het is. Mijn antwoord is dan dat zij kennelijk een groot probleem hebben op hun school als vijf tot tien procent van de schoolbevolking niet voor zijn of haar homo/lesbische voorkeuren durft uit te komen. Juist in het onderwijs wreekt zich het verschijnsel dat mensen die onzeker zijn over hun seksuele identiteit dat vaak uiten door hun eigen gevoelens te onderdrukken door die in anderen te vervolgen. De grootste homohaters hebben meestal het meeste boter op hun hoofd. Maar dat is nog geen reden om hen al te makkelijk van een ziektestempel te voorzien en dat doet het vaak gebruikte woord homofobie. Juist de homo/lesbische beweging met haar strijd tegen het ziektedenken rond homoseksualiteit zou voorzichtig moeten zijn met het bestempelen van gedrag en houding tot ziekte. In plaats van homofobie moet naar mijn mening van homovijandigheid worden gesproken.
Na jarenlang aandringen hebben de meeste scholen in Nederland nog steeds geen homobeleid ontwikkeld, is homo nog altijd een gangbaar scheldwoord op het schoolplein en in de klas zonder dat daar iets aan gedaan wordt, en kijkt men meestal de andere kant uit als homovijandig gedrag voorkomt. Daarom hoop ik dat overheid en schoolbesturen daar nu eindelijk eens een eind aan maken met de nieuwe SCP-gegevens in de hand over het psychosociaal ongezond klimaat voor met name homo/lesbische jongeren.
Maar ook voor homo/lesbische volwassenen valt veel te verbeteren. Het is immers nog geen twintig jaar geleden dat homoseksualiteit werd geschrapt als ziekte uit DSM-IV, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Ook in deze strijd tegen het ziektedenken rond homoseksualiteit waren Riek Stienstra (vanuit Schorer) en ik (vanuit Homostudies Utrecht) bondgenoten toen wij betrokken waren bij het organiseren van twee internationale wetenschappelijke conferenties in 1987. Zij door de identiteitsvraag te stellen: ‘Homosexuality, Which Homosexuality?’ en ik door aan te dringen op het schappen van homoseksualiteit van de ziektelijst: ‘Homosexuality beyond Disease’.
Ook al is homoseksualiteit officieel geen ziekte meer, toch komt het ziektedenken nog op grote schaal voor. Gekoppeld aan de nog altijd bestaande homovijandigheid leidt dit tot een psychosociaal klimaat waarin depressieve klachten en zelfdodingsdenken gedijen. Vele transgenders, biseksuelen, lesbische vrouwen en homomannen voelen zich onveilig door verbaal en fysiek geweld op straat en in school. We zijn er tot nu toe niet in geslaagd om daar een einde aan te maken. Recent wordt veel gesproken over lokhomo’s en lokjoden om de daders op heterdaad te kunnen betrappen. En dat brengt mij op een andere voorvechter uit onze homo/lesbische emancipatiebeweging: oud-COC-voorzitter Benno Premsela (1920-1997). Bert Boelaars geeft in zijn biografie van Premsela een treffende beschrijving van de betekenis om tot zowel de Joodse als de homo/lesbische minderheid te behoren. Benno Premsela is onder andere bekend geworden door zijn uitspraak dat bijna alle leden van minderheden opgroeien in gezinnen die tot de zelfde minderheid behoren waardoor jongeren positieve identificatiemogelijkheden aangeboden krijgen. Voor de meeste homo/lesbische jongeren (die opgroeien in heteroseksuele gezinnen) geldt dat niet en dat betekent dat zij, juist op de leeftijd waarop zij onzeker zijn over hun eigen identiteit, meestal geen of onvoldoende positieve identificatiemogelijkheden kunnen vinden. Op de homo/lesbische beweging rust dus een grote verantwoordelijkheid om die (voor de psychosociale gezondheid belangrijke) identificatiemogelijkheden aan te bieden. Het onderwijs kan daarin een belangrijke functie vervullen maar doet dat dus helaas onvoldoende. Datzelfde geldt voor de media die in het algemeen eerder meewerken aan het bevestigen van vooroordelen over homomannen, lesbische vrouwen, biseksuele en transgenders dan aan het doorbreken ervan. Een treurig voorbeeld daarvan is het NOS Journaal dat er al decennia lang in slaagt om vooroordeelbevestigende beelden uit te zenden van roze bijeenkomsten en demonstraties. De meeste publieke omroepen falen nog altijd om de zo noodzakelijke bijdrage te leveren aan het bevorderen van de psychosociale gezondheid van met name homojongeren door het aanbieden van een diversiteit aan identiteiten. Het treurigste voorbeeld daarvan is de NPS die statutair verplicht is om aandacht aan minderheden te besteden maar alweer enige jaren geleden het radioprogramma en de website Het Roze Rijk heeft afgeschaft terwijl uit onderzoek is gebleken dat dit juist de aangewezen kanalen zijn om homo/lesbische jongeren te bereiken die worstelen met zelfdodingsneigingen.
Riek Stienstra leverde ook een grote prestatie door haar inzet voor mensen met hiv/aids. Er waren en zijn nog altijd veel homomannen die liever hun kop in het zand steken dan de feiten onder ogen te zien. Sommige media spraken begin jaren tachtig zelfs over ‘homoziekte’. Juist dan is het belangrijk dat de homobeweging de regie over de beeldvorming en de zorg niet uit handen laat vallen maar zelf ter hand neemt. Ook hierbij heeft Stienstra een voortrekkersrol vervuld waarvoor iedereen dankbaar mag zijn die homoseksualiteit en psychosociale gezondheid serieus neemt.
Na haar pensionering in 2002 verhuisde Riek Stienstra naar haar heitelân Friesland waar zij helaas maar enkele jaren tot haar vroegtijdige overlijden in 2007 kon wonen in het dorpje Mûnein. En dat brengt mij tot het voorlaatste punt in mijn beschouwing over homoseksualiteit en psychosociale gezondheid. Eeuwenlang maakte stadslucht vrij, ook voor lesbische vrouwen, homomannen, biseksuelen en transgenders, omdat zij daar meer mogelijkheden hadden om zichzelf te zijn dan op het platteland. De laatste jaren zien wij in Nederland een tegenovergestelde ontwikkeling: velen voelen zich in grote delen van het platteland veiliger dan in sommige delen van de grote steden. Deze toegenomen homovijandigheid in bepaalde wijken is een bedreiging van de psychosociale gezondheid die ernstig genomen moet worden en waaraan paal en perk moet worden gesteld.
Voor mij is psychosociale gezondheid meer dan de afwezigheid van ziekte maar vooral de aanwezigheid van zodanige persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden dat zoveel mogelijk mensen zelf zin en vorm kunnen geven aan hun bestaan zolang zij het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet aantasten.
Het is nog maar enkele jaren geleden dat de rijksoverheid belangrijke subsidies aan Schorer wilde afschaffen omdat de homo/lesbische emancipatie voltooid zou zijn. Ook nu weer dreigen op grote schaal bezuinigingen. Maar juist vandaag blijkt dat de psychosociale gezondheid van homo en lesbisch Nederland grote gebreken bevat door de nog altijd aanwezige homovijandigheid. Ik eindig daarom met de hoop uit te spreken dat de moed van voorvechters als jonkheer Schorer, Riek Stienstra en Benno Premsela ons tot voorbeeld zal zijn in de komende moeilijke jaren.
Prof. dr.
Rob Tielman
Laatst aangepast (woensdag, 25 augustus 2010 12:17)